Cijfers en feiten
Toelichting
Wijzingen weergave uitgaven en inkomsten
De collectieve uitgaven en inkomsten bestaan uit: de uitgaven van het Rijk (bestaande uit begrotingsuitgaven en premiegefinancierde uitgaven) en de uitgaven en inkomsten van de lokale overheden. Voorbeelden van premiegefinancierde uitgaven zijn de uitgaven aan de Algemene Ouderdomswet (AOW), de uitgaven aan de gezondheidszorg (ZVW) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (ZWBZ). Door deze verandering in presentatie is de sociale zekerheid nu de grootse post van alle rijksuitgaven.
Rijksuitgaven
De rijksuitgaven zijn te herleiden uit het overzicht van de totale collectieve uitgaven. Het totaal van de rijksuitgaven (272,1 miljard euro) is te berekenen door de begrotingsuitgaven (184,0 miljard euro), premiegefinancierde uitgaven (105,5 miljard euro) en onderlinge betaling van begroting aan sociale fondsen (-17,5 miljard euro) bij elkaar op te tellen. Dit is ook het geval bij de rijksinkomsten.
Kas-transverschillen
De registratie van de meeste collectieve uitgaven en inkomsten vindt plaats op kasbasis. Op kasbasis worden transacties geboekt in de periode waarin de betaling plaatsvindt. Om de berekening op transactiebasis te maken, wordt er een correctie gemaakt: een zogenoemd kas- transverschil. Het kas- transverschil is als aparte post opgenomen.
Inkomsten en uitgaven collectieve sector


Het Rijk, de sociale fondsen en de lokale overheden tezamen noemen we de collectieve sector.
Toelichting
Nieuwe weergave collectieve uitgaven en collectieve inkomsten
Aangezien alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten op een nieuwe manier worden weergegeven, kan het begrotingssaldo (EMU-saldo) nu eenvoudig worden uitgerekend. Dit jaar zijn de collectieve uitgaven in totaal 301,5 miljard euro en de collectieve inkomsten 265,0 miljard euro. Het totale tekort van de collectieve sector is 36,5 miljard euro. Dit tekort kan omgerekend worden tot het EMU-saldo (36,5 miljard euro is 6,3 procent van het BBP).
Onderlinge betalingen
Binnen de collectieve sector zijn er ook onderlinge betalingen, bijvoorbeeld de betalingen van het Rijk aan het gemeente- en provinciefonds. Het Rijk telt dit mee als uitgave terwijl de medeoverheden dit zien als inkomsten. Deze betalingen worden niet dubbel geteld. Daarom worden ze ook apart aangegeven.
EMU-saldo
| Jaartal | Percentage |
|---|---|
| 2006 | 0,6% |
| 2007 | 0,3% |
| 2008 | 0,7% |
| 2009 | -4,8% |
| 2010 | -6,3% |
Omdat alle collectieve uitgaven en collectieve inkomsten op een nieuwe manier worden weergegeven kan het begrotingssaldo (EMU-saldo) nu eenvoudig worden uitgerekend. Dit jaar zijn de collectieve uitgaven in het totaal 301,5 miljard euro en de collectieve inkomsten 265,0 miljard euro. Het totale tekort van de collectieve sector is 36,5 miljard euro. Dit tekort kan omgerekend worden tot het EMU-saldo (36,5 miljard euro is 6,3 procent van het BBP).

EMU-schuld
| Jaartal | Percentage |
|---|---|
| 2006 | 48% |
| 2007 | 45% |
| 2008 | 58% |
| 2009 | 60% |
| 2010 | 66% |
Omdat de overheid in het verleden meer geld uitgaf dan er binnenkwam, is er een schuld ontstaan. De totale bruto schuld van het Rijk, de lagere overheden en de sociale fondsen wordt de EMU-schuld genoemd.

Economische groei
| Jaartal | Percentage |
|---|---|
| 2006 | 3,5% |
| 2007 | 3,5% |
| 2008 | 2,0% |
| 2009 | -4,8% |
| 2010 | 0,0% |
Het Bruto Binnenlands Product (BBP) is het totaal van wat we met z'n allen verdienen in het Nederlandse productieproces, met daarbij het geld dat binnenkomt uit de indirecte belastingen en subsidies die de kostprijs van producten en/of diensten verlagen.

